Klimaat

Denk eerst goed na en geef dan pas het juiste antwoord



naam:


klas:


emailadres:





1. Zie figuur .

Het warmst is het 's zomers in


A. plaats 1

B. plaats 6

C. plaats 7

D. plaats 4




2. Zie figuur .

Het verschil tussen zomer- en wintertemperatuur zal het kleinst zijn in


A. plaats 6

B. plaats 2

C. plaats 3

D. plaats 4




3. Welke bewering is onjuist ?

A. van de polen naar de evenaar wordt het steeds kouder

B. aan de kust valt meestal meer neerslag dan landinwaarts

C. landinwaarts wordt het verschil tussen zomertemperatuur en wintertemperatuur groter

D. aan de kust is het in de zomer koeler dan landinwaarts




4. Zie figuur.
Twee beweringen :
1. Voor de atmosfeer is de warmtebron de zon
2. Voor de aardkorst is de warmtebron de zon

Welk antwoord is juist ?


A. alleen 1 is juist

B. alleen 2 is juist

C. 1 en 2 zijn beide juist

D. 1 en 2 zijn beide onjuist




5. Zie figuur.

Welke temperatuurfactor wordt door de tekening uitgebeeld ?


A. de geografische breedteligging

B. de hoogteligging

C. de gesteldheid van het aardoppervlak

D. de aanvoer van koude of warmte van elders




6. Zie figuur.

De grens tussen de luchtstreken A en B wordt gevormd door


A. 0° - isotherm van de Warmste Maand

B. 10° - isotherm van de Koudste Maand

C. 10° -isotherm van de Warmste Maand

D. 18° - isotherm van de Warmste Maand

E. -3° - isotherm van de Koudste Maand

F. -3° -isotherm van de Warmste Maand




7. Zie figuur.

De Spanjaarden maakten op hun zeilvaarten naar de Nieuwe Wereld gebruik van achtereenvolgens


A. zuidwestenwind en noordoostpassaat

B. noordoostpassaat en noordwestenwind

C. noordoostpassaat en zuidwestenwind

D. noordoostmoesson en zuidwestenwind




8. Zie figuur.

De Spanjaarden maakten op hun zeilvaarten naar de Nieuwe Wereld gebruik van de wind . evenals de Engelsen.

Welke wind op de tekening wordt in Engeland een ´trade wind´ genoemd ?


A. de noordoostpassaat (B)

B. de noordwestenwind (A)

C. de zuidwestenwind (A)

D. de noordoostmoesson (B)




9. De zeilvaart naar het vroegere Nederlandsch-Indië maakte zoveel mogelijk gebruik van de heersende winden.
Van Europa voer men eerst naar Zuid-Amerika en dan naar het huidige India of het huidige Indonesië.
Bij een te lang aangehouden koers ontdekte men daardoor Australië.

Welke winden werden gebruikt ?

A. passaat , moesson , westenwind

B. uitsluitend de passaat

C. uitsluitend de moesson

D. uitsluitend de westenwind




10. Zie figuur .
Isothermen vallen zelden samen met breedtegraden.
Vier mogelijke oorzaken van de poolwaartse afbuiging van isothermen zijn
1. de ligging van gebergten
2. de aanvoer van koude of warmte van elders
3. de gesteldheid van het aardoppervlak
4. de geografische breedteligging

Welk antwoord is juist ?


A. alleen 1 en 2 zijn juist

B. alleen 1,2 en 3 zijn juist

C. alleen 1,2,3 en 4 zijn juist

D. alleen 4 is juist




11. Als we van de noordpool naar de zuidpool reizen , passeren we achtereenvolgens de volgende luchtstreken

A. polaire luchtstreek, gematigde luchtstreek, tropische luchtstreek

B. gematigde luchtstreek, tropische luchtstreek, polaire luchtstreek

C. polaire luchtstreek, gematigde luchtstreek, polaire luchtstreek

D. polaire luchtstreek, gematigde luchtstreek, tropische luchtstreek, gematigde luchtstreek, polaire luchtstreek




12. De gebieden in de warme luchtstreken hebben als kenmerk dat

A. de lengte van dag en nacht altijd precies gelijk is

B. de zon twee keer per jaar niet onder gaat

C. zij één keer per jaar de zon loodrecht boven zich hebben

D. de zonnestralen twee keer per jaar loodrecht invallen




13. Welke van de onderstaande lijnen begrenst de tropische luchtstreek ?

A. 18 ° isotherm van de warmste maand

B. 18 ° isotherm van de koudste maand

C. 10 ° isotherm van de warmste maand

D. -3 ° isotherm van de koudste maand




14. Welke luchtstreken bevinden zich tussen de keerkringen en de poolcirkels ?

A. gematigde luchtstreken

B. tropische luchtstreken

C. polaire luchtstreken

D. warme luchtstreken




15. Welke van de onderstaande lijnen begrenst de polaire luchtstreek ?

A. 18 ° isotherm van de warmste maand

B. 18 ° isotherm van de koudste maand

C. 10 ° isotherm van de warmste maand

D. -3 ° isotherm van de koudste maand




16. Wat is de thermische grens van de poolstreken ?

A. De 10°-isotherm van de koudste maand

B. De 10°-isotherm van de warmste maand

C. De 0°-isotherm van de warmste maand

D. De 0°-isotherm van de koudste maand




17. Twee beweringen :
1. Het land wordt sneller warm maar koelt ook sneller af dan de zee , maar dit heeft vrijwel geen
invloed op de luchttemperatuur boven het land.
2. Het water van de zee wordt langzaam warm en langzaam koud , waardoor de luchttemperatuur
boven de zee ook langzaam verandert.

Welk antwoord is juist ?

A. alleen 1 is juist

B. alleen 2 is juist

C. 1 en 2 zijn beide juist

D. 1 en 2 zijn beide onjuist




18. Het verschil in januari-temperatuur tussen de De Bilt en Berlijn kan met name verklaard worden met behulp van de factor

A. hoogteligging

B. ligging van gebergten

C. gesteldheid van het aardoppervlak

D. breedteligging

E. aanvoer warmte of koude van elders

F. koude zeestromen




19. Zie figuur.

Op de figuur staat vier maal een continent getekend op het noordelijk halfrond.
De rode lijn is een isotherm.

Welke figuren zijn juist getekend ?


A. de tekeningen A en C

B. de tekeningen B en D

C. de tekeningen A en D

D. de tekeningen B en C

E. geen van de tekeningen is juist getekend




20. Zie figuur.

Een zeeklimaat zul je aantreffen bij de


A. plaats A

B. plaats B

C. plaats C

D. plaats D




21. Zie figuur.

Welk klimaat kun je bij plaats B verwachten ?


A. A klimaat

B. B klimaat

C. C klimaat

D. D klimaat

E. E klimaat




22. Zie figuur.

Welk klimaat kun je bij plaats C verwachten ?


A. A klimaat

B. B klimaat

C. C klimaat

D. D klimaat

E. E klimaat




23. Zie figuur.

Welke luchtstreek staat aangeduid met de letter B ?


A. tropische luchtstreek

B. gematigde luchtstreek

C. koude luchtstreek

D. polaire luchtstreek




24. Zie figuur.

Als de 18° isothermen van de Koudste Maand precies zouden samenvallen met de keerkringen , dan zou er uitsluitend rekening gehouden zijn met de temperatuurfactor


A. breedteligging

B. hoogteligging

C. ligging van gebergten

D. aanvoer van koude of warmte van elders

E. gesteldheid van het aardoppervlak

F. zeestromen




25. Zie figuur.

In Moskou wordt het 's winters kouder dan in Athene vooral door de temperatuurfactoren verschil in


A. breedteligging en hoogteligging

B. breedteligging en ligging t.o.v. de zee

C. ligging van gebergten en gesteldheid van het aardoppervlak

D. gesteldheid van het aardoppervlak en hoogteligging




26. Wat is de belangrijkste oorzaak voor het temperatuurverschil tussen de taiga en de tropen ?

A. Het verschil in breedteligging

B. De tropen liggen dichter bij de oceaan

C. In de tropen is de wind aanlandig en in de taiga aflandig

D. In de tropen komen warme zeestromen voor en in de taiga niet




27. Waardoor is het op de beide polen veel kouder dan in de tropen ?

A. Doordat veel koude zeestromen naar de polen gaan

B. Doordat de polen hoger liggen

C. Doordat de polen op hogere breedte liggen

D. Doordat de tropen op hogere breedte liggen en dus warmer zijn




28. Rome ligt op dezelfde breedte als New York .
In Rome sneeuwt het bijna nooit, in New York juist veel meer.

Hoe verklaar je dat ?

A. New York ligt veel hoger

B. Rome ligt dichter bij de evenaar

C. In New York is de invalshoek van de zon kleiner

D. New York heeft minder invloed van de zee dan Rome




29. Bekijk de figuur .

A en B zijn 2 denkbeeldige continenten en de pijlen zijn de denkbeeldige wind.

In welke plaatsen zijn de winters het koudst ?


A. In 1 en 2

B. In 2 en 3

C. In 1 en 3

D. In 2 en 4




30. Bekijk de figuur .

A en B zijn 2 denkbeeldige continenten en de pijlen zijn de denkbeeldige wind.

Welke 2 plaatsen zullen een soortgelijk klimaat kunnen hebben als Nederland ?


A. 1 en 4

B. 2 en 3

C. 1 en 3

D. 2 en 4




31. Bekijk de figuur .
A en B zijn 2 denkbeeldige continenten en de pijlen zijn de denkbeeldige wind.

Stel je eens voor dat de tussen liggende zee er niet was en A en B zouden één groot continent vormen.

Wat zou er dan gebeuren met het klimaat in plaats 1 ?


A. Niets

B. De zomer zou er warmer worden

C. De winter zou er kouder worden

D. De zomer zou er warmer en de winter zou er kouder worden




32. Bekijk de figuur.
A en B zijn 2 denkbeeldige continenten en de pijlen zijn de denkbeeldige wind.

Stel je eens voor dat de tussenliggende zee er niet was en A en B zouden één groot continent vormen.

Wat zou er dan gebeuren met het klimaat in plaats 3 ?


A. Niets

B. De zomer zou er warmer worden

C. De winter zou er kouder worden

D. De zomer zou er warmer en de winter zou er kouder worden




33. Bekijk de figuur .

Bij welke plaats zul je de taiga-vegetatie kunnen aantreffen ?


A. Bij plaats 1

B. Bij plaats 2

C. Bij plaats 3

D. Bij plaats 4




34. Bekijk de figuur .

In welke plaats zal er niet veel verschil zijn tussen zomer- en wintertemperatuur ?


A. In plaats 1

B. In plaats 2

C. In plaats 3

D. In plaats 4




35. Bekijk de figuur .

In welke plaats zal de winter het koudst zijn ?


A. In plaats 1

B. In plaats 2

C. In plaats 3

D. In plaats 4




36. Bekijk de figuren A en B..

Van welke plaats op figuur A is de klimaatgrafiek van figuur B ?


A. Plaats 1

B. Plaats 3

C. Plaats 4

D. Plaats 5




37. Bekijk beide bronnen .

Van welke plaats op het kaartje zou de klimaatgrafiek kunnen zijn ?



A. plaats 1

B. plaats 2

C. plaats 3

D. plaats 4

E. plaats 5




38. Zie figuur.

Isothermen vallen zelden samen met breedtegraden.
Drie mogelijke oorzaken van de poolwaartse afbuiging (zie figuur) van een isotherm zijn :
1. de gesteldheid van het aardoppervlak
2. de ligging van gebergten
3. aanvoer warmte van elders

Welk antwoord is juist ?


A. alleen 1 en 2 zijn juist

B. alleen 2 en 3 zijn juist

C. alleen 1 en 3 zijn juist

D. 1,2 en 3 zijn allen juist




39. Zie figuur .

Op de figuur staat vier keer een continent getekend op het zuidelijk halfrond.
De rode lijn is een isotherm.

Welke tekeningen zijn goed getekend ?


A. de tekeningen A en C

B. de tekeningen A en D

C. de tekeningen B en C

D. de tekeningen B en D




40. Zie figuur

Twee uitspraken :
I. Plaats A ligt op het noordelijk halfrond.
II. In plaats A is het momenteel zomer.


A. alleen I is juist

B. alleen II is juist

C. I en II zijn beide onjuist

D. I en II zijn beide juist




Alles goed ingevuld?




Aardrijkskunde Afstandsleren