Vermaak

in de middeleeuwen

In de middeleeuwen werden heel wat feesten in de kerken gevierd, meestal het enige werkelijk grote gebouw waarover menig stadje beschikte. In een vijftiende-eeuws verslag van een zekere Du Pilliot wordt een levendig beeld gegeven van de 'narrenfeesten', die tot het spectaculairste vertier van deze tijd behoorden. Ze werden gehouden rond Kerstmis en Driekoningen, soms op 23 december (Onnozele-kinderendag of de dag der onschuldige kinderen, zo genoemd naar de moord op de joodse kinderen door Herodes in Bethlehem), ook wel op nieuwjaarsdag. Hele horden verklede en gemaskerde feestvierders hosten door de straten en stegen: 'Er zijn er die helemaal naakt ronddansen, anderen lopen op handen en voeten, er zijn er die op stelten stappen, menigeen heeft zich verkleed als beer, duivel of aap...'

Luistervoorbeeld van "La fete de l'ane" ( een fragment uit de zogenaamde ezelsmis!) Het Kyrie wordt wel op een heel bijzondere manier gezongen!

Afbeelding hierboven: Scène d'une dramatisation du roman de geste "La Prise de Jérusalem" 1376. Enluminure des Chroniques de Charles V, Paris, Bibliothèque nationale. Voir Glynne Wickham, A History of the Theatre, Cambridge, C.U.P., 1985, p. 96h.

het narrenfeest
Er werd verteld (en in de kronieken gebeurt dat op een verontwaardigde toon) dat tijdens het narrenfeest bij het altaar werd gedanst en gedobbeld, men offreerde elkaar daar 'zwarte poddingen' (waarmee waarschijnlijk mest wordt bedoeld), er werd gekaart en gegeten, terwijl men in het wierookvat probeerde een oude schoenzool in brand te steken. Na afloop van dit spektakel reden de geestelijken op een (mest)kar de stad rond, overal de omstanders aan het lachen brengend 'met schandelijke vertoningen en onzedelijk gezang'. Het was gebruikelijk dat men zo nu en dan een flinke portie mest tussen het (verklede) publiek gooide. Het gehele schouwspel vertoonde wel enige gelijkenis met de vriendelijke maar ingetogener restanten die het huidige carnaval biedt: de stoeten met praalwagens (de mestkarren) met daarop de prinsen en hun raad van elf (de verklede geestelijken) die brede gebaren maken (niet meer zó obsceen als men eertijds placht te doen) en minzaam wat snoepjes (de mest) tussen het publiek werpen. Ook menig middeleeuws klooster was er niet afkerig van één keer per jaar dat scabreuze narrenfeest te vieren en rond nieuwjaar waren er daarom vrijwel overal uitgelaten monniken op pad, meestal naar een of ander nabijgelegen nonnenklooster (soms waren beide gemeenschappen zelfs in hetzelfde gebouw ondergebracht), waar ook al een vrolijk feest aan de gang was.

Op pleinen, markten en kermissen: het poppenspel.

Mysteriespelen
Ook de zogenaamde 'mysteriespelen', religieuze verbeeldingen van bijbelse gebeurtenissen of van episoden uit het leven van Christus en de heiligen - waren in latere eeuwen bijzonder populair. Theaters met onder contract staande spelers bestonden er uiteraard nog niet, maar er waren altijd wel reizende gezelschappen op doortocht, die ter plaatse in een ommezien voor een openluchttheater zorgden door op een markt of het plein voor een kathedraal een constructie op te zetten. Een stadsomroeper kondigde her en der aan wat er stond te gebeuren, noemde de titels van de te spelen stukken ('Het mirakel van Sint Catherine', 'Het mysterie van Adam en Eva') en gaf bovendien een correcte samenvatting van de vaak zeer uitvoerige inhoud. De toeschouwers hoefden geen entreegeld te betalen; iedereen kon vrijelijk komen kijken, alleen bestond er een ongeschreven wet betreffende de verdeling van de plaatsen: edelen, magistraten en welgestelde burgers zaten op verhogingen (waar ze zich tijdens de voorstelling een stevige maaltijd lieten opdienen), terwijl de gewone burgerij en de lagere standen op het plein voor het toneel zonder bezwaar op de grond gingen zitten waarbij - net zoals tijdens de kerkdiensten - de mannen rechts, de vrouwen links plaats namen.

Het decor voor het Passiespel van Valenciennes. 1547.De huizen staan in een rechte lijn. Je ziet de hel, een martelkamer en een meer voor St Petrus, Robin May, History of the Theater, Secaucus, Chartwell Books, 1986, p. 31.

Niemand wilde deze evenementen missen en tijdens de voorstelling waren de straten van menig stadje uitgestorven, terwijl er zelfs speciale bewakers waren aangesteld die al patrouillerend diefstal en plundering van de verlaten huizen dienden te voorkomen. In de late middeleeuwen werden er bij de grote mysteriespelen heel omvangrijke tonelen gebruikt met soms twee of meer verdiepingen. Je kunt dat goed zien op de afbeelding hierboven.

De bovenste etage was 'de hemel', de onderste 'de aarde', met elkaar verbonden door twee wenteltrapjes. Wanneer de engelen of de Heilige Maagd zich aan de aardbewoners wensten te manifesteren, moesten ze waardig en voorzichtig de trapjes afdalen. Bovendien waren hemel en aarde nog verdeeld in kleinere 'appartementen', huizen of steden voorstellend waar een deel van de gebeurtenissen plaatsvond. Verder was er een 'hel', een ander kamertje huisvestte 'Jeruzalem', door een gordijn gescheiden van 'het huis van de heilige Jozef , elders waren 'Egypte' en 'Rome' geherbergd. Al naar gelang de plaats van handeling wandelden de acteurs rustig van het ene vertrekje naar het andere. Degenen die niet hoefden op te treden zaten aan weerszijden van het toneel rustig op hun beurt te wachten. Korte preken werden tijdens de opvoering niet door de acteurs, maar door de plaatselijke geestelijken gehouden. Hun tegenvoeters waren de duivels - eik goed stuk had er wel een aantal.

Volgens traditie waren ze in het zwart gekleed en bovendien toegerust met een geslachtsdeel van ondeugend grote afmetingen, een gebruik dat sedert de Romeinse komedies nog eeuwen nadien heeft weten stand te houden. De engelen waren gehuld in witte, rode of blauwe gewaden, terwijl God zelf was te herkennen aan een fraaie kazuifel met stola en mijter. Adam en Eva verschenen inderdaad zoals de goede God hen geschapen had: in volstrekt natuurlijke staat. Het zou zelfs ketterij zijn geweest hen anders voor te stellen dan de bijbel hen beschreef. Alleen op heel koude dagen werd het eerste mensenpaar in strak sluitende pakjes van wit leer gehuld.

Zo'n mysteriespel had vaak een indrukwekkende lengte en kon wel dagen tot soms weken duren. Om de spelers af en toe een adempauze te gunnen en ook de toeschouwers in staat te stellen het hoogst noodzakelijke werk te verrichten, werden er pauzen van één of meer dagen ingelast. Daarna ging de voorstelling onverdroten verder, een vrij langademig vervolgverhaal dus, een soort middeleeuwse 'Peyton Place' met de hoogst bereikbare kijkdichtheid; bij elke hervatting was de belangstelling nog even groot als bij het begin.
Er waren nogal wat gesjeesde studenten, leraren en weggelopen monniken die zich een nieuw en vrij bestaan als acteur hadden gezocht. Dikwijls schreven ze hun stukken zelf en componeerden er ook de muziek bij. Doorgaans hadden ze een voortreffelijke scholing achter de rug, maar verkozen het avontuurlijke leven langs de weg boven het wat degelijker en veiliger bestaan in een klooster of desnoods aan het hof, waar menige intelligente en scherp van de tongriem gesneden komediant zich met zijn sarcasme of met wat voorzichtige ironie een uitstekend en luxueus bestaan als hofnar wist te verwerven. Een ideale nar moest behalve intelligent het liefst ook nog verschrikkelijk lelijk zijn. De allerafgrijselijkste zot moet ongetwijfeld in het bezit zijn geweest van koning James IV van Schotland (1488-1513), die er een grollenmaker op nahield met twee hoofden, vier armen, één lichaam en twee benen. De ene helft moet een intelligent en grappig wezen geweest zijn, de andere kant was een vervelende en eeuwig ruziemakende dronkelap.

Een stuk van Terentius:

Beneden: Terentius geeft het manuscript aan de regisseur.

Boven: (in een rond theater) Calliopius, in een soort tentje, leest een tekst hardop voor, terwijl gemaskerde joculators een opvoering geven. erachter publiek. er wordt ook nog muziek gemaakt.

1400 A.D., Paris, Bibliothèque Nationale.

 

 

Betreft dit slechts verhalen - romantische verzinsels - of gewone roddel, verdichtsels die toch een kern van waarheid bevatten, gruwelsprookjes of pittige liefdesgeschiedenissen? Niettemin was dit de beste bagage die een middeleeuwse reiziger zich maar kon wensen. 'Tijdingen' (het woord is bewaard gebleven in het moderne Duitse woord voor krant, Zeitung) werden vrijwel uitsluitend mondeling overgebracht. Boeken waren nauwelijks verbreid en werden in de vroege middeleeuwen trouwens uitsluitend in het Latijn geschreven, de taal die alleen door de dienaren van de kerk, aan het hof en door de hoogste adel werd gebezigd. Zelfs dit laatste was betrekkelijk: moest er namelijk een akte worden opgesteld, dan was het gebruikelijk dat de graaf of baron uit het naburige klooster een monnik liet halen die het gewenste opschreef; zelf was de edelman er meestal niet toe in staat.

Boerenkermis in de 16de eeuw Een scene uit de klucht P;ayerwater.

Joculator, minstreel, vagant
Veel mensen waren volstrekt analfabeet, óók Karel de Grote wiens handtekening altijd door een schrijver moest worden geplaatst, waarna hij er elegant de finishing touch aan gaf door ergens in het midden een kruisje te zetten. De gewone man zou zich overigens in geen geval een boek hebben kunnen veroorloven: een redelijk gebruikte bijbel kostte in deze tijden evenveel als een niet onaardige boerenhofstede. De vlotte prater, de verteller van leuke verhalen, ook de zanger die de 'reportages' van die tijd in een vrolijk of droef lied verwerkte, zij allen konden langs de weg een leven van betrekkelijke welstand vinden. Minstrelen en speellieden, rondtrekkende monniken en studenten op avontuur, predikers, troubadours, barden: al deze 'vaganten' (het Latijnse woord voor zwervers, waarmee ze algemeen werden aangeduid) zijn er in álle tijden geweest. Hun liederen en vertellingen waren meestal tamelijk ondeugend, vaak ook vol snijdende kritiek, reden waarom de kerk niet zo op deze reizigers was gesteld. In 816 werd het op het Concilie van Aken aan geestelijken verboden feesten bij te wonen waarop speellieden en jokulatoren (acrobaten, kunstenmakers, narren) optraden. Toch was de algemene bewondering niet te doven. Geen boerenbruiloft, geen toernooi, of deze grappenmakers waren present, en op menige burcht werd graag geluisterd naar de gedichten en vertelsels van een minstreel.

Samenstelling bronmateriaal ten behoeve van het nieuwe vak ckv-2 voor havo en vwo in het profiel C&M..  Meewerken aan deze site? Opsturen via e-mail is voldoende. Geraadpleegde literatuur oa: 5000 jaar dagelijks leven: de middeleeuwen.

Is er zonder uw toestemming en zonder bronvermelding gebruik gemaakt van uw teksten? Onze verontschuldigingen hierover. Laat het ons weten en wij geven een juiste bronvermelding of halen het materiaal van internet. Een financiele vergoeding kunnen wij niet geven: het Nederlandse onderwijs is een kale kip en daar valt dus niets te plukken. 


03/12/2010 update