Ontwikkelingsaspecten voor de kleuterschool

 

Positieve ingesteldheid

1. zich emotioneel goed voelen
2. zich als persoon iets waard voelen (zelfwaardegevoel)

3. zich als persoon present stellen
4. gemotiveerd zijn
5. zich vitaal en gezond voelen
6. plezier beleven
7. tot rust komen
8. zich geborgen voelen
9. zich verbonden voelen
10. interesse hebben voor anderen

11. nieuwsgierig zijn
12. initiatief nemen
13. betrokken bezig zijn
14. speels, onbevangen en creatief omgaan met de wereld (muzisch)

Top

Emotionele ontwikkeling

15. gevoelens bij zichzelf en bij anderen herkennen
16. gevoelens uitdrukken en verwerken

Sociale ontwikkeling

17. de eigenheid van anderen respecteren
18. de eigen wijze van omgaan met anderen aanvoelen en verfijnen

19. rollen spelen
20. tot interactie komen

21. samenwerken

22. zich inleven in anderen

Top

Morele ontwikkeling

23. ervaren wat zinvol, mooi, goed, waar is

24. regels en afspraken naleven en waarderen

25. zich oriënteren op waarden

26. willen beantwoorden aan de verwachtingen van vertrouwde volwassenen

27. ontdekken dat mensen iets vanuit een bedoeling kunnen doen

28. evalueren of gedragingen goed zijn

Top

Godsdienstige ontwikkeling

29. verwonderd zijn over de schepping

30. stil worden

31. een religieuze verbondenheid ervaren

32. stilstaan bij levenservaringen

33. zich identificeren met inspirerende figuren

34. vertrouwd worden met christelijk geloven

35. vertrouwd worden met christelijke gebruiken, rituelen en symbolen

36. vertrouwd worden met religieuze verscheidenheid

Top

Muzische ontwikkeling

Creëren en beschouwen

37. eigen ervaringen creatief uitdrukken in muzische expressievormen

38. nadenken en spreken over eigen muzische uitingen en die van anderen

Expressievormen

39. muzisch omgaan met lichaamshoudingen en bewegingen

40. muzisch omgaan met geluiden en muziek

41. muzisch omgaan met materialen en beelden

42. muzisch omgaan met taal

43. muzisch omgaan met spelend uitbeelden

Top

Motorische ontwikkeling

Bewegingsvormen

44. grootmotorisch bewegen

45. kleinmotorisch bewegen

Motorisch competent worden

46. evenwicht bewaren

47. de lichaamsruimte aanvoelen en gebruiken

48. lateraliteit en voorkeurlichaamszijde aanvoelen en hanteren

49. dynamisch bewegen

50. aangepast bewegen in de ruimte

51. aangepast bewegen in de tijd

52. fysieke fitheid verwerven

Top

Zintuiglijke ontwikkeling

Waarnemen

53. Actief exploreren met de zintuigen

54. nauwkeurig waarnemen

Instrumenten

55. intens kijken

56. intens luisteren

57. intens voelen

58. intens ruiken

59. intens smaken

Top

Denkontwikkeling

Basisvaardigheden

60. kennis en ervaringen selecteren en onderzoeken

61. kennis en vaardigheden structureren

62. kennis en ervaringen (creatief) voorstellen

63. kennis en ervaringen integreren

Basisinzichten

64. inzichten verwerven over natuur en techniek

65. inzichten verwerven over mens en samenleving

66. inzichten verwerven over de ruimte

67. inzichten verwerven over de tijd

68. inzichten verwerven over getallen

69. inzichten verwerven over meten

Top

Taalontwikkeling

70. auditieve boodschappen interpreteren en er gepast op reageren

71. ervaringen verwoorden

72. ervaringen uitwisselen ( communiceren)

73. luisteren en spreken verfijnen

74. visuele boodschappen (pictogrammen) interpreteren en er gepast op reageren

75. boodschappen omzetten in pictogrammen

76. kennismaken met geschreven taal

77. nadenken en spreken over eigen taalgebruik en dat van anderen

Top

Ontwikkeling van de zelfsturing

78. zichzelf behelpen (zelfredzaamheid)

79. keuzes maken (kiezen)

80. plannen maken

81. iets te weten komen

82. een taak begrijpen, aanvatten, volhouden en afwerken

83. problemen oplossingsgericht aanpakken

84. kritisch reflecteren

85. aandachtig en geconcentreerd bezig zijn

 

Top


Positieve ingesteldheid

 

1. zich emotioneel goed voelen

1.1.1 Een veilige sfeer ervaren bij de leidster

1.1.2 Zich veilig voelen op een plaats in de klas waar je de leidster kan zien
1.1.3 Zich veilig voelen in een kleine groep kleuters
1.1.4 Zich veilig voelen in een grote groep kleuters
1.2.1 Materialen exploreren die van thuis bekend zijn
1.2.2 Materialen uit de klas exploreren

1.2.3 Nieuwe, minder bekende materialen exploreren

1.3.1 Genieten van de aanwezigheid van iets van thuis ( een knuffel, een boek, een lapje, foto’s,…)
1.3.2 Zich ook goed voelen zonder iets van thuis mee te brengen

1.4.1 Basisveiligheid ervaren door de manifeste aanwezigheid van rituelen, herhalingen, vaste structuur
1.4.2 Zich ook veilig voelen als vaste gewoonten doorbroken worden
1.5.1 Zich veilig voelen in eigen klas
1.5.2 Zich veilig voelen op de speelplaats, in de gymzaal en in andere minder bekende ruimtes
1.6.1 Zwijgzaam of luidruchtig aanwezig zijn

1.6.2 Open en actief deelnemen aan ervaringsituaties
Top

2. zich als persoon iets waard voelen (zelfwaardegevoel)
2.1.1 Genieten van koesteringen en van non-verbale bevestigingen en aanmoedigingen
2.1.2 Non-verbale en verbale bevestigingen en aanmoedigingen waarderen
2.2.1 Genieten van succeservaringen op het vlak van prestaties en sociaal contact ( ik kan al…)
2.2.2 Bewust succeservaringen opzoeken om zo het zelfwaardegevoel te vergroten
2.3.1 Eerder niet of aarzelend of impulsief ingaan op vragen of beslissingen van anderen
2.3.2 Zelf eenvoudige beslissingen kunnen nemen
2.4.1 Liever niet ingaan op nieuwe opdrachten

2.4.2 Nieuwe opdrachten uitdagend vinden

2.5.1 Aarzelend zoeken naar de juiste bewegingen
2.5.2 Zich zelfzeker bewegen
Top

3. zich als persoon present stellen
3.1.1 Iets durven zeggen tegen de leidster, tegen poppen of tegen voorwerpen
3.1.2 iets durven zeggen tegen een andere kleuter

3.1.3 Iets durven zeggen in een kleine groep
3.1.4 Iets durven zeggen in een grote groep
3.2.1 Zijn voornaam kennen
3.2.2 Zijn voornaam, familienaam, gemeente kennen en enkele opvallende gegevens over zichzelf kunnen vertellen
3.3.1 Iets losstaand over zichzelf duidelijk maken
3.3.2 Een gesprek over een vertrouwd onderwerp met anderen beginnen of voortzetten
3.3.3 Zijn eigen mening naar voren brengen in een gesprek
3.4.1 Iets eenvoudig over zichzelf naar voren brengen

3.4.2 Op een creatieve en persoonlijke wijze en met materialen iets over zichzelf naar voren brengen
3.5.1 Impulsief eigen verlangens naar voren schuiven

3.5.2 op een begrijpelijke en aanvaardbare manier voor zichzelf en voor anderen opkomen
Top
4. gemotiveerd zijn
4.1.1 Activiteiten van anderen observeren
4.1.2 Zelf willen deelnemen aan activiteiten
4.1.3 Graag naar school komen
4.2.1 Interesse hebben voor wat nu gebeurt
4.2.2 Toeleven naar een gebeurtenis (Sinterklaas, schoolreis)


Top


5. zich vitaal en gezond voelen
5.1.1 Zijn eigen fysische mogelijkheden en grenzen aanvoelen
5.1.2 Zijn fysische grenzen verleggen
5.1.3 Zich bewust worden van eigen mogelijkheden en grenzen
Top
6. plezier beleven
6.1.1 Plezier beleven aan iets
6.1.2 Kunnen verwoorden waarom je plezier aan iets beleeft
6.1.3 Iets uitkiezen omdat je denkt er plezier aan te kunnen beleven
6.2.1 Impulsief, uitbundig of in zichzelf gekeerd plezier beleven
6.2.2 Meer genuanceerd, verfijnd uiten van plezier
Top
7. tot rust komen
7.1.1 Genieten van een middagdutje, als dat nodig is
7.1.2 De hele dag wakker blijven
7.2.1 Een gewaarwording herkennen als een signaal dat ‘rust’ oproept

7.2.2 Zelf zintuiglijke ervaringen oproepen die rust brengen

Top
8. zich geborgen voelen
8.1.1 Genieten van respectvol lichamelijk contact met vertrouwde volwassenen (nestwarmte)
8.1.2 Ondervinden dat vertrouwde volwassenen en andere kleuters bezorgd voor je zijn
8.2.1 Genieten van een sfeer van huiselijke geborgenheid

8.2.2 Geborgenheid ervaren in een kleine groep kinderen waarmee samen ervaringen beleefd worden
8.2.3 Geborgenheid ervaren in een grotere groep

Top
9. zich verbonden voelen
9.1.1 Zich aangesproken voelen als de leidster je persoonlijk aanspreekt

9.1.2 Zich aangesproken voelen als de leidster de groep aanspreekt

9.1.3 Spontaan een bijdrage proberen te leveren tot de goede gang van zaken in de groep (engagement)

9.2.1 Zich verbonden voelen met de leidster

9.2.2 Zich verbonden voelen met enkele kleuters van de klas

9.2.3 Zich verbonden voelen met de hele klas

9.3.1 Ervaren dat er in de klas rond een belangstellingscentrum gewerkt wordt

9.3.2 Weten rond welk belangstellingscentrum vandaag gewerkt wordt

9.3.3 Weten rond welke belangstellingscentra gewerkt werd, wordt en gaat worden

9.3.4 Belangstellingscentra actief mee willen en kunnen vorm geven

9.4.1 Met zichzelf bezig zijn

9.4.2 De aanwezigheid van andere kleuters aanvoelen

9.4.3 Zich een deel voelen van de groep

9.4.4 Zijn eigen plaats en waarde binnen de groep ervaren

9.4.5 Samen met de anderen ontdekken wat ons omringt

9.5.1 Ervaren dat mensen die voor je zorgen van je houden

9.5.2 Zelf mee voor anderen willen zorgen

Top
10. interesse hebben voor anderen
10.1.1 Eigen werk belangrijk vinden

10.1.2 Op vraag van de leidster ook interesse hebben voor het werk van andere kleuters

10.1.3 Spontaan interesse tonen voor eigen werk en voor dat van andere kleuters

10.2.1 Ervaren dat ook anderen aanwezig zijn in de klas en op school, zonder contact met hen op te nemen

10.2.2 Contact nemen binnen een vertrouwde relatie

10.2.3 Contact nemen met andere kleuters in een beperkte groep

10.2.4 Contact nemen met minder vertrouwde personen in schoolverband

Top

11. nieuwsgierig zijn
11.1.1 Vertrouwde situaties exploreren

11.1.2 Nieuwe, minder vertrouwde situaties exploreren


12. initiatief nemen
12.1.1 Observerend of impulsief het klasleven volgen

12.1.2 Initiatief nemen op vraag van iemand

12.1.3 Spontaan initiatief nemen

12.1.4 Ondernemend actief zijn om initiatieven met een gezonde werkijver uit te bouwen

12.2.1 Experimenteren met materialen

12.2.2 Plannen maken om constructief met materialen iets te ondernemen

Top
13. betrokken bezig zijn
13.1.1 Schijnbaar actief bezig zijn

13.1.2 Vaak onderbroken activiteit (wegkijken, dromen)

13.1.3 Min of meer aangehouden activiteit (routinematig maar met voortgang)

13.1.4 Activiteit met intense momenten (prikkels uit de omgeving leiden iet af)

13.1.5 Volgehouden intense activiteit (vol energie, concentratie, creativiteit en persistentie)

13.2.1 Individuele betrokkenheid

13.2.2 Groepsbetrokkenheid

Top
14. speels, onbevangen en creatief omgaan met de wereld (muzisch)
14.1.1 Bij het ontdekken van de wereld nood hebben aan herkenningspunten, houvast, structuur

14.1.2 Vanuit houvast de wereld speels, fantasierijk en onbevangen verder exploreren
14.2.1 Aangeven of een activiteit leuk was of niet

14.2.2 Uit een reeks activiteiten die uitkiezen die de voorkeur genieten

14.2.3 Zelf voorstellen bedenken voor activiteiten binnen een belangstellingscentrum

 

Top
Emotionele ontwikkeling

 

15. gevoelens bij zichzelf en bij anderen herkennen
15.1.1 Gevoelens bij zichzelf en bij anderen ervaren

15.1.2 Communiceren over gevoelens en ze benoemen

15.1.3 Rekening houden met gevoelens

15.2.1 Hoofdgevoelens (blij, bang, boos, verdrietig) meebeleven en herkennen

15.2.2 Genuanceerde gevoelens (gezelligheid, teleurstelling, tevredenheid, ongerustheid,,,) meebeleven en herkennen

15.2.3 Gemengde gevoelens (verlegen, verbaasd, verwonderd, verrast, overdonderd, jaloers, vijandig, besluiteloos,,,) meebeleven en herkennen

15.3.1 Gevoelsuitingen bij iemand anders herkennen

15.3.2 (Verschillende) gevoelsuitingen bij verschillende personen in dezelfde situatie herkennen

Top
16. gevoelens uitdrukken en verwerken
16.1.1 Gevoelens in verband met ‘gehecht’ zijn en ‘scheiden’ herkennen, uiten en verwerken

16.1.2 Gevoelens in verband met groeiende autonomie (van egocentrische koppigheid naar groeiende zelfbeheersing en rekening houden met anderen) herkennen, uiten en verwerken

16.1.3 Gevoelens in verband met eigen mogelijkheden (kunnen en niet kunnen) herkennen, uiten en verwerken

16.2.1 Gevoelens uitdrukken door lichaamstaal (non-verbaal)

16.2.2 Gevoelens uitdrukken door mondelinge taal (verbaal)

16.3.1 Zich vrij uiten over gevoelens die pas beleefd zijn

16.3.2 Soms en met hulp van de leidster afstand nemen van emotioneel geladen situaties en over deze situaties kunnen nadenken en spreken

16.4.1 Gevoelens onmiddellijk of achteraf uitdrukken en verwerken

16.4.2 Zich vooraf (bijvoorbeeld in fantasiespel) voorbereiden op mogelijke emotionele ervaringen

16.5.1 Impulsief uitdrukken van gevoelens

16.5.2 Ervaren dat er grenzen zijn aan de wijze waarop gevoelens geuit worden

16.5.3 Rustig worden en over gevoelens praten met vertrouwde volwassenen

16.5.4 Met hulp van de leidster zijn gevoelens op een aanvaardbare wijze en met respect voor anderen uiten

16.5.5 Gevoelens reguleren (spontaan uiten, min of meer onder controle houden en rekening houden met de context bij het uiten van gevoelens)

16.6.1 Wat als emotioneel belangrijk wordt aangevoeld onmiddellijk gerealiseerd willen zien

16.6.2 Min of meer geduldig kunnen wachten

16.7.1 Opkomen voor eigen verlangens

16.7.2 Ongelijk of onmacht kunnen toegeven waar nodig

 


Top


Sociale ontwikkeling

 

17. de eigenheid van anderen respecteren
17.1.1 Gewoonten van anderen leren kennen

17.1.2 Respect opbrengen voor gewoonten van anderen

17.1.3 Relatief vlot inspelen op kleuters die zich anders gedragen dan we gewoon zijn

17.2.1 Ervaren, bijvoorbeeld via verhalen, dat mensen heel anders kunnen zijn dan we gewoon zijn

17.2.2 Met de hulp van de leidster respectvol praten over het anders zijn van mensen

Top
18. de eigen wijze van omgaan met anderen aanvoelen en verfijnen
18.1.1 Aandacht hebben voor andere kleuters

18.1.2 Andere kleuters geen pijn doen

18.1.3 Behulpzaam en zorgend omgaan met kleuters die hulp nodig hebben

18.2.1 Samen met anderen ervaringen opdoen

18.2.2 In concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar kunnen herkennen en erover praten

Top

19. rollen spelen
19.1.1 Bewegingen meedoen
19.1.2 Gedrag nadoen

19.1.3 Doen alsof

19.1.4 Een rol creatief uitbeelden

19.2.1 Eenvoudige situaties uit het dagelijks leven naspelen

19.2.2 Fantasievolle situaties bedenken en spelen

19.2.3 Fantasievolle situaties creatief aanvullen met realiteitsgetrouwe details

19.2.1 Spontaan en globaal geobserveerde houdingen en bewegingen imiteren
19.2.2 Met groeiende nauwkeurigheid imiteren

19.2.3 Gericht en nauwkeurig een rol observeren om te kunnen imiteren
Top
20. tot interactie komen
20.1.1 Reageren op initiatieven die tot jou persoonlijk zijn gericht

20.1.2 Reageren op initiatieven die tot een kleine groep zijn gericht

20.1.3 Reageren op initiatieven die tot een grote groep zijn gericht

20.2.1 Toevallige vrienden zijn

20.2.2 Eenrichtingsvrienden ( een vriend is iemand die mij helpt)

20.2.3 Tweerichtingsvrienden ( een vriend is ook iemand die ik help)

20.3.1 Signalen geven waaruit anderen kunnen afleiden dat hulp nodig is
20.3.2 Duidelijk tonen dat hulp nodig is

20.3.3 Gericht hulp vragen

20.4.1 -> Een ruzie bijleggen: door de regels weer te volgen

20.4.2 Een ruzie bijleggen: door aangedaan onrecht weer goed te maken

20.4.3 Een ruzie bijleggen: door het aanbieden van excuses ten aanzien van wat gedaan werd (de daad) én het waarom (het motief)

20.5.1 Zich bij een conflict houden aan de oplossing die de leidster voorstelt

20.5.2 Zijn eigen verhaal doen en samen naar oplossingen zoeken

20.5.3 Een conflictsituatie ook trachten op te lossen als de leidster niet aanwezig is met wederzijdse toegevingen

Top
21. samenwerken

21.1.1 Korte tijd samenspelen

21.1.2 Langere tijd samenspelen

21.1.3 Samenwerken

21.2.1 alleen spelen

21.2.2 Toekijken wanneer andere kinderen spelen

21.2.3 Naast elkaar hetzelfde spel spelen (parallel spel)

21.2.4 Samen spelen met eenvoudige regels ( bijvoorbeeld wie heeft welke taak of rol)

21.2.5 Samenspelen gebaseerd op duidelijke afspraken en regels

21.3.1 Gezelschapsspelen spelen: Kennis maken met eenvoudige spelregels (bijvoorbeeld zijn beurt afwachten)
21.3.2 Gezelschapsspelen spelen: Zich onder toezicht aan spelregels houden
21.3.3 Gezelschapsspelen spelen: Zonder toezicht de spelregels naleven
21.3.4 Gezelschapsspelen spelen: samen met de leidster spelregels en –afspraken bedenken, formuleren en er zich spontaan aan houden
21.4.1 Zomaar gaan meedoen
21.4.2 Vragen om mee te mogen doen
21.5.1 -> (Eerlijk) delen met deelbaar materiaal (bijvoorbeeld blokken)
21.5.2 (Eerlijk) delen met ondeelbaar materiaal (bijvoorbeeld één wasmachine voor de poppen)

21.6.1 Een eenvoudige taak alleen kunnen uitvoeren
21.6.2 Met twee of drie kleuters een taak kunnen uitvoeren
21.6.3 Binnen een gezamenlijke taak met meer dan twee kleuters afspraken kunnen maken betreffende deeltaken en zich aan die afspraken kunnen houden

Top

22. zich inleven in anderen

22.1.1 Meebeleven met anderen

22.1.2 Inspelen op de gevoelsuitingen van anderen

22.1.3 Zich inleven in anderen in situaties die dicht bij de eigen belevingswereld liggen

22.2.1 Ervaren dat je hetzelfde gevoel kan beleven als je hetzelfde meemaakt
22.2.2 Ervaren dat anderen in dezelfde situatie heel andere gevoelens kunnen hebben

22.2.3 Meegaan in de fantasie of in de verbeelding van de andere

22.3.1 Ervan uitgaan dat alle mensen een situatie op dezelfde wijze aanvoelen als jij

22.3.2 Ervaren dat iemand anders een situatie  anders aanvoelt, maar nog niet helemaal vanuit zijn standpunt kunnen kijken

22.3.3 Het perspectief van de ander kunnen innemen door te vertellen hoe iets eruit ziet of ervaren wordt vanuit zijn standpunt

22.4.1 Ervaren dat je je op verschillende momenten anders kan voelen, naargelang de situatie

22.4.2 Ervaren dat eigen daden gevolgen kunnen hebben voor anderen die door hen heel anders ervaren worden

 

Top
Morele ontwikkeling

 

23. ervaren wat zinvol, mooi, goed, waar is

23.1.1 Ervaren dat mensen goede, zinvolle dingen doen

23.1.2 Uitkijken en opkijken naar mensen die goed doen

23.1.3 Zich uitgenodigd weten om zelf ook goede, zinvolle dingen te doen bijvoorbeeld door voorbeelden van volwassenen en andere kinderen uit de eigen omgeving
23.2.1 Genieten van contact met de natuur

23.2.2 Zich bewust worden van het goede en het mooie in die ervaringen

23.2.3 Vanuit verbondenheid met de natuur er bezorgd voor zijn en er ook zorg voor dragen

23.3.1 De schepping, het leven meemaken, ervaren

23.3.2 Dingen willen weten over de schepping en over het leven ( wat, waarom, hoe, waartoe,,,)

23.3.3 Stilaan de zin, de betekenis van de dingen ontwaren en ervaren wat zinvol, mooi, goed, waar is en wat niet

Top

24. regels en afspraken naleven en waarderen

24.1.1 Kennismaken met regels en afspraken

24.1.2 Proberen greep te krijgen op regels en afspraken door ermee te experimenteren

24.1.3 Ervaren en begrijpen dat samen spelen en samenwerken inhoudt dat er (spel)regels en afspraken zijn die iedereen moet naleven

24.1.4 Met hulp van de leidster nieuwe afspraken kunnen formuleren en die willen naleven

24.2.1 Regels en afspraken naleven als de leidster in de buurt is

24.2.2 Regels en afspraken naleven als de leidster de regels en afspraken regelmatig herhaalt of visuele ondersteuning geeft met pictogrammen

24.2.3 Spontaan de belangrijkste regels en afspraken naleven

Top

25. zich oriënteren op waarden

25.1.1 Iets deugddoends beleven

25.1.2 Waarden concreet meebeleven doordat de leidster het ‘goede voorbeeld’ geeft

25.1.3 Ontdekken dat bepaalde waarde deugd doen voor zichzelf en voor anderen, bijvoorbeeld bij een aantal ‘goede gewoonten’ als ‘dankjewel’ zeggen als je iets krijgt, iets beleefd vragen, opruimen, netjes eten

25.2.1 Waarden meebeleven

25.2.2 Zich inleven in waardevol gedrag

25.2.3 Zich bewust worden van ‘waarden’

25.2.4 Praten over wat waardevol is

25.2.5 Zich inzetten voor waarden die zichtbaar en tastbaar gemaakt kunnen worden door kleuters (bijvoorbeeld eerlijk zijn, zorgen voor anderen, zorg dragen voor materialen, geweldloosheid, respect voor anderen, dankbaarheid, respect voor de natuur, vriendschap, dienstbaarheid)

Top

26. willen beantwoorden aan de verwachtingen van vertrouwde volwassenen

26.1.1 In het eigen gedrag rekening trachten te houden met wat vertrouwde volwassenen waarderen, met duidelijke ondersteuning van die volwassenen

26.1.2 Rekening houden met wat vertrouwde volwassenen waarderen, bij aanwezigheid van de leidster

26.1.3 Relatief vlot regels en afspraken naleven die zichtbaar maken wat vertrouwde volwassenen waarderen, ook wanneer die volwassenen niet in de buurt zijn

Top

27. ontdekken dat mensen iets vanuit een bedoeling kunnen doen

27.1.1 Ervaren dat eigen gedrag bedoelde en niet-bedoelde gevolgen kan hebben

27.1.2 Met hulp van volwassenen en in concrete situaties bij zichzelf en bij anderen verbanden leggen tussen eigen gedrag en wat dat bij anderen teweegbrengt

27.1.3 Met hulp eigen gedrag sturen om niet-bedoelde gevolgen bij anderen te vermijden

27.2.1 Impulsief iets ondernemen

27.2.2 Zich iets voornemen en met ondersteuning van de leidster dat ook doen

27.2.3 Zich iets voornemen en er zelf voor zorgen dat het ook gebeurt

Top

28. evalueren of gedragingen goed zijn

28.1.1 In een verhaal of concrete situatie spontaan aangeven welke gedragingen al of niet goed bevonden worden in het licht van gekende gedragsregels

28.1.2 Verwoorden en bespreken welk gedrag goed bevonden wordt en welk niet

28.1.3 Gedrag evalueren los van een concrete context

 

Top
Godsdienstige ontwikkeling

 

29. verwonderd zijn over de schepping

29.1.1 Genieten van de schepping in al zijn facetten

29.1.2 Verwondering ervaren en uiten bij het verrassende en het ongewone

29.1.3 bij de beleving van de schepping iets aanvoelen van het diepere van het bestaan

29.1.4 Eigen natuurbeleving en gevoelens van verwondering associëren met wat volwassenen over god en zijn schepping zeggen

Top

30. stil worden

30.1.1 spontane verwondering opbrengen

30.1.2 Stil worden omdat de leidster het voordoet en stilte vraagt

30.1.3 Stil worden omdat je het zelf wil

30.2.1 Even (bijna) stil kunnen zijn

30.2.2 Zichzelf kunnen beheersen en korte tijd stil kunnen worden

30.2.3 Genieten van aandachtige stiltemomenten

30.2.4 Zelf suggesties doen voor stiltemomenten

Top

31. een religieuze verbondenheid ervaren

31.1.1 Basisvertrouwen en verbondenheid ervaren in de relatie met vertrouwde volwassenen

31.1.2 Samenhorigheid ervaren in de klasgroep

31.1.3 In menselijk contact en tijdens religieuze rituelen (oa gebed) aanvoelen en meebeleven dat we met ‘iemand’ verbonden zijn

Top

32. -> stilstaan bij levenservaringen

32.1.1 -> In gesprek met volwassenen en andere kleuters levensvragen stellen en op zoek gaan naar antwoorden

32.1.2 Ontdekken dat er verschillende meningen bestaan betreffende levensvragen

32.1.3 Met elkaar over levensvragen filosoferen en ervaren dat mensen daarbij over God spreken

Top

 

33. zich identificeren met inspirerende figuren

33.1.1 -> Zich inlevend herkennen in een figuur uit een verhaal (eigen gevoelens aanvoelen, de concrete context begrijpen…)
33.1.2 Zich identificeren met verhaalfiguren

33.1.3 eigen beleving en gevoelens associëren met wat volwassenen over inspirerende figuren vertellen

 

Top

34. vertrouwd worden met christelijk geloven

34.1.1 Ervaren dat volwassenen over Jezus en andere geloofsfiguren vertellen

34.1.2 Jezus, andere geloofsfiguren en uitingen van geloof leren kennen en herkennen

34.1.3 Aanvoelen dat Jezus en andere geloofsfiguren betekenis hebben voor volwassenen

34.1.4 Geloof willen meebeleven en verbondenheid ervaren met anderen die in Jezus geloven, als er daarvoor openheid is gegroeid

Top

35. vertrouwd worden met christelijke gebruiken, rituelen en symbolen

35.1.1 De sfeer aanvoelen van een christelijk gebruik of ritueel

35.1.2 Volwassenen imiteren wanneer ze hun geloof uitdrukken

35.1.3 Het verwijzende van een godsdienstig ritueel aanvoelen

35.1.4 Met ondersteuning het eigen religieus aanvoelen kunnen uitdrukken (via verbale en non-verbale expressie de eigen diepte-ervaring uitdrukken)

35.1.5 Iets aan God vertellen en dat ervaren als deugddoend, als een ervaring waaruit vertrouwen in god kan groeien

35.1.6 Persoonlijk bidden

35.2.1 In concrete situaties beleven hoe voorwerpen en handelingen (bijvoorbeeld een kaars) een diepere, symbolische betekenis kunnen krijgen

35.2.2 Symbolische voorwerpen, figuren of handelingen kunnen associëren met persoonlijke en groepsbelevingen

35.2.3 Ervaringen die aan eenvoudige symbolen verankerd zijn weer kunnen uitroepen

35.2.4 het eigen religieus aanvoelen kunnen uitdrukken met eenvoudige symbolische handelingen en voorwerpen

Top

36. vertrouwd worden met religieuze verscheidenheid

36.1.1 Ervaren en opmerken dat mensen elk op hun eigen manier hun geloof beleven en uitdrukken

36.1.2 Nadenken en spreken over een verscheidenheid aan geloofsbelevingen

36.1.3 Belangstelling en respect tonen voor geloofsuitingen van anderen

 

Top
Muzische ontwikkeling

 

Creëren en beschouwen

 

37. eigen ervaringen creatief uitdrukken in muzische expressievormen

37.1.1 Al manipulerend zintuiglijke ervaringen opdoen

37.1.2 Er van genieten ervaringen op een gevarieerde wijze te kunnen uitdrukken en verwerken

37.2.1 Ontdekken dat materialen en instrumenten kunnen helpen om zich te uiten

37.2.2 Gericht deze materialen uitkiezen die geschikt zijn om zijn ervaringen gepast tot uitdrukking te brengen

37.3.1 Experimenteren met basistechnieken (tekenen, schilderen, knippen,…) en zo eenvoudige expressietechnieken verkennen

37.3.2 Met bekende expressietechnieken herkenbaar en creatief vormgeven aan persoonlijke ervaringen

37.3.3 Nieuwe en gecombineerde expressietechnieken willen leren kennen en gebruiken

Top

38. nadenken en spreken over eigen muzische uitingen en die van anderen

38.1.1 Ten volle genieten van eigen kunstzinnige uitingen

38.1.2 Genieten van kunstzinnige uitingen van kinderen

38.1.3 Kunstzinnige uitingen van anderen met de zintuigen in zich opnemen en de belevingen achter de uitingen trachten te begrijpen

38.2.1 Aanvoelen dat een vertrouwde volwassene je ervaringen kan begrijpen via je expressieve uitingen

38.2.2 Ervaren dat andere kleuters reageren op eigen expressies

38.2.3 Ingaan op de vragen van anderen om eigen expressies te verduidelijken

38.3.1 -> Verwonderd zijn over de uitdrukkingskracht van eigen kunstzinnige expressies

38.3.2 Verwoorden wat aanspreekt in de expressies van anderen

38.4.1 Genieten van kunstzinnige expressies (bijvoorbeeld poppenspel, theater, musical, film, kinderboeken, gedichten,…) in de vertrouwde klas en vertolkt door vertrouwde personen

38.4.2 In de school

38.4.3 Buiten de school

Top

Expressievormen

 

39. muzisch omgaan met lichaamshoudingen en bewegingen

39.1.1 Experimenteren met bewegingsspel

39.1.2 Met bewegingen en lichaamshoudingen je ervaringen uiten

39.1.3 Nuances leggen in de lichaamstaal door gebruik te maken van houdingen, kracht, bewegingen, ritme, ruimte en tijd

Top

40. muzisch omgaan met geluiden en muziek

40.1.1 Het verschil ervaren tussen stilte en geluid

40.1.2 Geboeid luisteren naar geluiden

40.1.3 De eigenschappen van geluiden en de verschillen tussen geluiden ontdekken (in duur, sterkte, hoogte, tempo en richting van de geluidsbron)

40.1.4 Een eenvoudig ritme of een eenvoudige melodie herkennen

40.1.5 Vertrouwd worden met samenklank, dynamiek, klankkleur, structuur en vorm

40.2.1 Plezier beleven aan: het spreekzingen en zingen van de leidster, meezingen, muziek beluisteren of ritmespelletjes

40.2.2 Al zingend en spelend met instrumenten klankeigenschappen (duur, sterkte, hoogte, tempo, klankkleur, richting,…) en muzikale aspecten (melodie, ritme, dynamiek, structuur, stemvolume, ademhaling, stemplaatsing, resonantie, …) verkennen

40.2.3 De uitdrukkingsmogelijkheden van muziek kennen en gebruiken

 

Top
41. muzisch omgaan met materialen en beelden

41.1.1 Experimenteren met allerlei drie- en tweedimensionaal materiaal (bijvoorbeeld constructiemateriaal, verf, zand, stiften, speeldeeg,…)

41.1.2 De mogelijkheden ontdekken van materialen en beelden door werkstukken te maken

41.1.3 Al spelend verschillende beeldaspecten ontdekken

41.1.4 De uitdrukkingsmogelijkheden van materialen en beelden kennen en gericht hanteren

41.2.1 Experimenteren met dezelfde (beeldende) techniek in verschillende situaties

41.2.2 Een techniek op de juiste wijze toepassen om tot een gewenst resultaat te komen

41.3.1 Manipuleren met materialen

41.3.2 De mogelijkheid ontdekken om tot constructies te komen

41.3.3 Materialen combineren om tot eigen constructies te komen op meer planmatige wijze

41.4.1 Grote werkstukken creëren

41.4.2 Kleine, fijnere werkstukken creëren

41.5.1 Een beeld mooi vinden omdat het associaties oproept met eigen ervaringen

41.5.2 Een beeld mooi vinden omdat het lijkt op de realiteit

41.5.3 (Kritisch) reflecteren over beelden

41.6.1 Met begeleiding van de leidster naar bewegende beelden kijken die geen verhaal vormen (bijvoorbeeld dansende kleuren)

41.6.2 Met begeleiding van de leidster een verhaallijn begrijpen door te kijken en te luisteren naar korte fragmenten van bewegende beelden die vanuit één standpunt gemaakt zijn (bijvoorbeeld gefilmde prenten uit een boek)

41.6.3 Zelfstandig kijken naar beelden die uit enkele verschillende camerastandpunten gemaakt zijn (bijvoorbeeld een korte tekenfilm)

41.6.4 Kennis maken met verschillende vormkenmerken van bewegende beelden (bijvoorbeeld de betekenis van non-verbale signalen en conventies, verplaatsingen in tijd en ruimte en het onderscheid werkelijkheid-fictie,…)

Top

42. muzisch omgaan met taal

42.1.1 Luisteren naar ritmische klanknabootsingen en korte versjes

42.1.2 Spelen met klank, ritme, tempo, intonatie, melodie en rijm

42.1.3 Nieuwe woorden en uitdrukkingen produceren

42.1.4 Creatief omgaan met de betekenis van woorden

42.2.1 Luisteren naar versjes en ze meezeggen

42.2.2 Eenvoudige korte versjes expressief naar voren brengen ondersteund door lichaamstaal, beelden en materialen

42.2.3 Langere versjes met minder ondersteuning

Top

43. muzisch omgaan met spelend uitbeelden

43.1.1 Geboeid kijken en luisteren naar korte stukjes poppenspel, verhalen, toneel over alledaagse situaties met weinig personages en met een eenvoudige verhaallijn

43.1.2 Kijken en luisteren naar vormen van spelend uitbeelden met meer personages, een echte plot en fantasievolle situaties

43.1.3 Nadenken en spreken over toneel, poppenspel, verhalen

43.2.1 Gedrag van mensen en dieren imiteren

43.2.2 In een eenvoudig rollenspel één figuur uitbeelden door bewegingsspel en taal te combineren

43.2.3 Een gespeelde rol trachten uit te bouwen tot een samenhangend geheel

43.2.4 Tot samenspel komen in dramatisch spel

43.3.1 Het gedrag van volwassenen en andere kleuters nabootsen

43.3.2 Zich fantasierijk inleven in een rol met weinig expliciete aandacht voor vormgeving

43.3.3 Aandacht voor realistische en meer gedetailleerde vormgeving

43.4.1 iets wat je waarneemt spelend uitbeelden (een verhaal, een rol,…)

43.4.2 Eigen ervaringen, belevingen, gedachten, gevoelens, ideeën, … creatief spelend uitbeelden

Top
Motorische ontwikkeling

 

Bewegingsvormen

Top

44. grootmotorisch bewegen

44.1.1 Basisbewegingen ontwikkelen als stappen, lopen, trekken, duwen, buigen, strekken, ledematen draaien

44.1.2 Complexere basisbewegingen uitvoeren als klimmen, klauteren, dragen

44.1.3 Nog complexere basisbewegingen beheersen als voorwaarts en zijwaarts springen

Top

45. kleinmotorisch bewegen

45.1.1 Experimenteren met kleinmotorische technieken ( wrijven, doppen, trekken, …)

45.1.2 Kleinmotorische technieken voldoende gedoseerd en ontspannen uitvoeren (tekenen, schilderen, boetseren, plooien, scheuren, kleuren,…)

45.2.1 -> Vanuit fantasierijke situaties basispatronen voor het schrijven uitvoeren met grote bewegingen

45.2.2 Met fijne bewegingen en driedimensionaal materiaal ( bijvoorbeeld schuurpapieren letters)

45.2.3 Op papier

45.3.1 -> De ledematen onafhankelijk van de romp bewegen

45.3.2 De ene hand als actiehand en de andere als steunhand gebruiken

45.4.1 Met allerlei schrijfmaterialen experimenteren op verschillende soorten papier

45.4.2 Een juiste pengreep nadoen bij het werken met schrijfmaterialen

45.4.3 De juiste pengreep zelfstandig uitvoeren

45.5.1 Kleine dingen tussen twee vingers nemen

45.5.2 Eenvoudige dingen tussen twee vingers nemen

45.5.3 Zich aan- en uitkleden

45.6.1 Korte dwarsknippen geven in eenvoudige materialen (bijvoorbeeld in een rolletje boetseerklei)

45.6.2 Op een rechte lijnknippen in makkelijke materialen (bijvoorbeeld geschikt karton)

45.6.3 Op kromme lijnen knippen of zonder lijnen knippen in moeilijkere materialen (bijvoorbeeld verschillende soorten materiaal)

45.7.1 Mimiek: een basale gelaatsuitdrukking gebruiken

45.7.2 Genuanceerde gelaatsuitdrukkingen hanteren

Top

Motorisch competent worden

Top

46. evenwicht bewaren

46.1.1 Evenwicht houden op brede steunvlakken

46.1.2 Op smalle maar stabiele steunvlakken

46.1.3 Op licht labiele, lage steunvlakken

46.1.4 Op schuine, hoge steunvlakken

46.2.1 -> Zich verplaatsen op een steunvlak

46.2.2 vlot overstappen van het ene naar het andere steunvlak

46.3.1 -> Voorachterwaarts evenwicht houden

46.3.2 Zijwaarts evenwicht houden

46.4.1 Even op één been staan

46.4.2 Langere tijd op één been staan

46.4.3 Diverse evenwichtshoudingen gedurende langere tijd aanhouden

46.4.4 Hinken

46.5.1 -> Evenwicht houden met veel meebewegingen

46.5.2 Evenwicht houden met weinig meebewegingen

Top

47. de lichaamsruimte aanvoelen en gebruiken

47.1.1 Grote lichaamsdelen aanvoelen, die je duidelijk beleeft (hoofd, oren, buik, vingers, voeten,…)

47.1.2 Kleinere en minder duidelijk beleefde lichaamsdelen (navel, schouders, nagels,…) aanvoelen

47.1.3 Delen van grotere lichaamsdelen (voorhoofd, wenkbrauwen, voetzolen,…) en inwendige lichaamsdelen aanvoelen (maag, hart,…)

47.2.1 Vlot bewegen rond de lengteas

47.2.2 Bewegen in zijwaartse bewegingsrichting

47.3.1 Eenvoudige houdingen nabootsen

47.3.2 Houdingen nabootsen met verschillende details

47.4.1 -> Een goede schijfhouding nadoen

47.4.2 De juiste schrijfhouding zelfstandig aannemen

Top

48. lateraliteit en voorkeurlichaamszijde aanvoelen en hanteren

48.1.1 Als je met twee handen tegelijk werkt: onduidelijke taakverdeling tussen beide handen

48.1.2 Eén hand actief terwijl de andere fixeert

48.1.3 Een vlotte taakverdeling hanteren in het gebruik van linker- en rechterhand

48.2.1 Ervaren dat je twee lichaamshelften hebt

48.2.2 Aanvoelen dat de ene helft van het lichaam spontaan de voorkeur geniet omdat die ‘handiger’ werkt

48.2.3 aanvoelen dat de ene lichaamshelft dominant is ten opzichte van de andere zonder zich daar echt bewust van te zijn

48.2.4 Zijn voorkeurhand kennen

Top

49. dynamisch bewegen

49.1.1 Gepast reageren op het begrip ‘stop’ door de intentie tot stoppen te tonen

49.1.2 Een aan de gang zijnde beweging behoorlijk stoppen

49.2.1 Snel reageren in spannende situaties met eenvoudige prikkels

49.2.2 Snel reageren in situaties met mee complexe prikkels (bijvoorbeeld waarbij signalen ingevoerd worden waarop kleuters niet mogen reageren)

49.3.1 ‘In blok’ bewegen

49.3.2 Bewegen met veel bijbewegingen

49.3.3 Bewegen met meebewegingen vooral bij opdrachten die veel concentratie vergen

49.3.4 Bewegen met weinig meebewegingen (de beweging lokaliseren)

49.4.1 Enkelvoudige bewegingen uitvoeren (beide bewegingshelften doen hetzelfde zoals bij klappen of springen)

49.4.2 Bewegingen vlot timen en aan elkaar schakelen

49.5.1 Abrupt bewegen

49.5.2 De juiste energiedosering hanteren: zich kunnen ontspannen, de ademhaling beheersen, bewust stilliggen

Top

50. aangepast bewegen in de ruimte

50.1.1 Voorwerpen ten opzichte van zichzelf situeren

50.1.2 Zich situeren ten opzichte van een voorwerp

50.2.1 Een affectief onderscheiden plaats terugvinden ( bijvoorbeeld waar je eigen knuffel ligt)

50.2.2 Een neutrale lege plaats terugvinden

50.3.1 Experimenteren met begrippen van plaats zoals ginds, naast, rondom, in het midden, vooraan, overkant, achteraan,…

50.3.2 Zoals achterzijde, binnenkant, bovenkant, buiten, onderkant, de eerste, de laatste, de middelste, tegenover, vlakbij, voorzijde zijkant, opzij,…

50.3.3 Begrippen van plaats hanteren

50.4.1 Experimenteren met begrippen van richting zoals omhoog, omlaag en voorwaarts,…

50.4.2 Zoals achterwaarts en zijwaarts,…

50.5.1 Spontaan, onbewust een afstand overbruggen

50.5.2 Overbrugde afstanden vergelijken

50.5.3 Afstand als spelidee en regel in het spel integreren (bijvoorbeeld van op een afstand kunnen mikken)

50.6.1 De bewegingsbaan van iets of iemand afwachten (er niet op inspelen)

50.6.2 Inspelen op één bewegingsbaan

50.6.3 Inspelen op enkele bewegende personen of voorwerpen

Top

51. aangepast bewegen in de tijd

51.1.1 Zich spontaan aanpassen aan een auditief waarneembaar tempo (bijvoorbeeld een trom)

51.1.2 Kunnen versnellen

51.1.3 Kunnen vertragen

51.2.1 Eén beweging onthouden en uitvoeren

51.2.2 Een reeks van twee bewegingen onthouden en uitvoeren

51.2.3 Een reeks van drie bewegingen onthouden en uitvoeren

51.3.1 Spontaan meebewegen op een metrum

51.3.2 Bewegingen kunnen afstemmen op een metrum of een eenvoudig ritme

51.3.3 Het metrum of ritme met de stem mee ondersteunen

51.3.4 In een opgelegd tempo bewegingen kunnen uitvoeren

Top

52. fysieke fitheid verwerven

52.1.1 Basisbewegingen op eigen tempo uitvoeren

52.1.2 Tonen hoe snel iets uitgevoerd kan worden

52.1.3 Iets snel uitvoeren

52.1.4 Een wedstrijdje houden

52.2.1 Elke dag korte herhaalde inspanningen doen

52.2.2 Iets langer durende inspanningen doen

 

Top
Zintuiglijke ontwikkeling

 

Waarnemen

Top

53. Actief exploreren met de zintuigen

53.1.1 De directe omgeving rondom zich exploreren

53.1.2 De ruimere omgeving rondom zich exploreren

53.2.1 Een zintuiglijke ervaring in zijn totaliteit ervaren

53.2.2 Zich concentreren op die zintuigen waarmee relevante informatie kan worden opgedaan

53.3.1 De essentie van vertrouwde voorwerpen verkennen (er iets mee doen aansluitend bij de functie van het voorwerp)

53.3.2 De eigenschappen van voorwerpen vergelijken

53.3.3 Zoeken naar kleine verschillen, gelijkenissen en ontbrekende eigenschappen

53.4.1 Manipuleren

53.4.2 Herkennen

53.4.3 Communiceren en onderzoeken

53.4.4 Voorspellen

Top

54. nauwkeurig waarnemen

54.1.1 Globale gelijkenissen opmerken in wat wordt waargenomen en concrete, duidelijke contrasten of verschillen ontdekken

54.1.2 Minder opvallende verschillen waarnemen en waarnemen dat iets precies hetzelfde is

54.2.1 Met ondersteuning van de leidster vaststellen dat er in de vertrouwde omgeving iets veranderd is

54.2.2 Zelfstandig veranderingen opmerken en verwoorden

54.3.1 Verschillen opmerken in driedimensionale situaties

54.3.2 Verschillen opmerken in tweedimensionale situaties (afbeeldingen)

54.4.1 Afbeeldingen van vertrouwde personen herkennen

54.4.2 Schematische afbeeldingen herkennen van iets uit de werkelijkheid

54.4.3 complexere afbeeldingen herkennen (onduidelijk, wazig, stilistisch)

 

Instrumenten

Top

55. intens kijken

55.1.1 Ervaringen opdoen met kijken

55.1.2 Visuele contrasten herkennen (kleur, vorm, structuur, patroon,…)

55.1.3 Kleine verschillen opmerken

Top

56. intens luisteren

56.1.1 Ervaringen opdoen rond horen

56.1.2 Geluidsbronnen van geluiden uit het dagelijkse leven identificeren

56.1.3 Minder gewone geluidsbronnen identificeren

56.1.4 Ervaringen opdoen rond bron en richting van het geluid, klanksterkte, klankhoogte, klankduur en klankkleur

Top

57. intens voelen

57.1.1 Ervaringen opdoen met het tastzintuig

57.1.2 Voorwerpen uit het dagelijks leven leren kennen door ze te betasten

57.1.3 Voorwerpen alleen door ze te betasten herkennen

57.1.4 Voorwerpen beschrijven als je ze hebt betast

Top

58. intens ruiken

58.1.1 Ervaringen opdoen met het reukzintuig

58.1.2 Aangeven welke geuren als aangenaam of onaangenaam ervaren worden

58.1.3 Enkele typische geuren uit de omgeving identificeren

Top

59. intens smaken

59.1.1 Ervaringen opdoen met het smaakzintuig

59.1.2 Aangeven welke smaken als aangenaam en onaangenaam worden ervaren

59.1.3 Enkele typische smaken identificeren

 


Denkontwikkeling

Top

Basisvaardigheden

 

60. kennis en ervaringen selecteren en onderzoeken

60.1.1 Manipulerend kennis en ervaringen opdoen

60.1.2 Communiceren over kennis en ervaringen

60.1.3 Onderzoekend ervaringen opdoen en verklaringen zoeken

60.1.4 Voorspellingen maken en onderzoekend nagaan of de voorspellingen kloppen

60.2.1 Magisch denken (alles kan als ik het wil)

60.2.2 Ervaren dat de dingen die gebeuren een oorzaak en gevolg hebben

Top

61. kennis en vaardigheden structureren

61.1.1 Actief ervaringen opdoen en zo kennismaken met de functie, de zin of de betekenis van de dingen

61.1.2 Wat-vragen beantwoorden en stellen

61.1.3 Waarom-vragen, hoe-vragen, en wanneer-vragen beantwoorden en stelen en zo de functie, de zin en de betekenis van de dingen leren kennen en kunnen verwoorden

61.2.1 Met hulp voorwerpen sorteren op basis van één opvallend kenmerk (bijvoorbeeld de kleur) of twee eenvoudige kenmerken combineren (bijvoorbeeld kleur en aantal tot drie)

61.2.2 Sorteren rekening houdend met één minder opvallend gemeenschappelijk kenmerk (bijvoorbeeld dezelfde functie of vorm))

61.2.3 Sorteren rekening houdend met twee of drie gemeenschappelijke kenmerken of met één kenmerk dat ontbreekt

61.2.4 Classificeren door voornamelijk gebruik te maken van de taal

61.3.1 -> Zelf ontdekken welke dingen bij elkaar passen, hoe er gesorteerd kan worden

61.3.2 Verschillende manieren ontdekken om materialen te sorteren en de gevormde groepjes verder doorsorteren

61.4.1 Ordenen in categorieën

61.4.1 Ordenen in subcategorieën

61.5.1 Materialen verkennen waarin een seriatie is ‘ingebouwd’ (bijvoorbeeld in elkaar passende potjes, een stok met ringen van klein naar groot,…)

61.5.2 Tegenstellingen verkennen door te vergelijken (lang, kort, lekker, vies, zuur, zoet,…)

61.5.3 (met hulp) vier of vijf voorwerpen met duidelijke verschillen rangschikken in een reeks volgens één opvallend kenmerk (bijvoorbeeld kleur, grootte, lengte, dikte, hoogte,…)

61.5.4 Seriëren op basis van moeilijkere kenmerken (bijvoorbeeld op basis van kleinere verschillen, naar aantal, in de tijd,…) en meerdere kenmerken (bijvoorbeeld aantal en kleur)

61.6.1 Ervaringen opdoen met kleuren

61.6.2 Spelenderwijze voorwerpen sorteren naar (hoofd)kleuren en de kleuren leren kennen

61.6.3 Kleuren van voorwerpen benoemen

61.6.4 Kleuren mengen

61.6.5 Kleurnuances leren kennen en benoemen

61.6.6 Kleurnuances op volgorde leggen

Top

62. kennis en ervaringen (creatief) voorstellen

62.1.1 Ervaringen verwoorden

62.1.2 Ervaringen op een gevarieerde wijze representeren (bijvoorbeeld dmv allerlei vormen van beeldende expressie, door rollenspel of door gebruik te maken van pictogrammen)

62.2.1 Een eenvoudige, concrete representatie van iets herkennen (bijvoorbeeld een tekening van de school)

62.2.2 Een minder eenvoudige representatie van iets herkennen (bijvoorbeeld een tekening van een handeling, een gebeuren, zoals een tak die uit een boom valt)

62.3.1 Betekenis geven aan eigen tekeningen met de hulp van de leidster

62.3.2 Zonder hulp

62.3.3 Betekenis geven aan eigen schriftnabootsingen

62.4.1 Achteraf en met hulp van de leidster betekenis geven aan een tekening

62.4.2 Vooraf zeggen wat je wil tekenen of creëren en dat ook doen

62.5.1 Experimenteren met krabbels

62.5.2 Min of meer herkenbare gesloten vormen tekenen

62.5.3 Statische elementen tekenen (bijvoorbeeld een mens, huis, dier, boom,…)

62.5.4 Dynamische situaties tekenen met oog voor details ( bijvoorbeeld de juf wast de baby)

62.6.1 Ervaringen opdoen met objecten, mensen en gebeurtenissen in de werkelijkheid

62.6.2 Een vertrouwd object, een vertrouwde persoon of gebeurtenis representeren

62.6.3 Minder vertrouwde objecten, personen of gebeurtenissen representeren

62.6.4 Ervaringen combineren tot nieuwe representaties

62.7.1 Ervan overtuigd zijn dat wat ik wil ook waarheid wordt

62.7.2 Ervan overtuigd zijn dat wat ik denk waarheid is

62.7.3 Met hulp van de leidster een onderscheid maken tussen fantasie en werkelijkheid

62.7.4 Grotendeels zelfstandig een juist onderscheid kunnen maken tussen wat fantasie of realiteit is

Top

63. kennis en ervaringen integreren

63.1.1 Kennis en ervaringen met elkaar associëren omdat ze tastbaar nabij zijn
63.1.2 Omdat ze met elkaar een overeenkomst vertonen

63.2.1 Ontdekken dat twee voorwerpen of onderdelen van voorwerpen bij elkaar passen

63.2.2 Gericht gekende voorwerpen zoeken die bij elkaar passen

63.3.1 Kennis en ervaringen opdoen

63.3.2 Er blijk van geven dat je verworven kennis en ervaringen kan gebruiken waar nodig

63.4.1 Kennis en ervaringen toepassen in gelijke situaties en met hulp van de leidster

63.4.2 In vergelijkbare situaties

63.4.3 In relatief afwijkende situaties en zonder hulp van de leidster

63.5.1 Ervaren dat voorwerpen als een middel gebruikt kunnen worden

63.5.2 Voorwerpen gebruiken op de manier waarvoor ze bedoeld zijn

Top

Basisinzichten

 

64. inzichten verwerven over natuur en techniek

64.1.1 De natuur actief exploreren met alle zintuigen

64.1.2 De natuur nauwkeuriger onderzoeken, er spelenderwijze ordeningen in aanbrengen, verbanden leggen tussen verschillende ervaringen in de natuur en de bekomen ervaringen representeren

64.2.1 De aanwezigheid van planten en dieren in de omgeving als aangenaam ervaren

64.2.2 Zelfstandig dieren en planten verzorgen

64.2.3 Bezorgd omgaan met de natuur

64.3.1 Al doende goede gewoonten aannemen inzake dagelijkse hygiëne

64.3.2 Gedragingen herkennen die de gezondheid bevorderen bijvoorbeeld voldoende bewegen, voldoende rusten, jezelf hygiënisch verzorgen, gezond eten,…

64.3.3 Gedragingen herkennen die de gezondheid bedreigen bijvoorbeeld gevaarlijke dingen doen, er ongezonde gewoonten op na houden

64.4.1 Experimenterend kennismaken met een verscheidenheid aan grondstoffen en materialen uit de eigen omgeving

64.4.2 Eigenschappen van grondstoffen en materialen handelend ervaren (vervormen, combineren, betasten,…) en herkennen

64.4.3 Eenvoudige als-dan-relaties bij dat handelend omgaan formuleren en controleren

64.5.1 Experimenteren met constructiemateriaal en bereidingsgrondstoffen

64.5.2 Met hulp van de leidster materialenkennis en kennis van constructie- en bereidingsprincipes gebruiken bij het uitvoeren van een constructie of bereiding

64.5.3 Met behulp van een stappenplan een constructie of bereiding uitvoeren

64.6.1 Vertrouwd raken met een cassetterecorder, een cd-speler, een videorecorder, een televisie,…

64.6.2 Eenvoudige handelingen uitvoeren die deze toestellen bedienen (bijvoorbeeld aan- en afzetten, een cassette inleggen, terugspoelen,…)

64.7.1 Vertrouwd worden met een computer

64.7.2 Eenvoudige handelingen uitvoeren die de computer bedienen (bijvoorbeeld de muis hanteren, bewegen over het scherm, links klikken met de muis, een programma openen door aan te klikken,..)

Top

65. inzichten verwerven over mens en samenleving

65.1.1 Sociale kennis en ervaringen opdoen die je rechtstreeks aanbelangen (bijvoorbeeld over de klas, mama en papa die je zeker komen ophalen, Sinterklaas,…)

65.1.2 ruimere sociale kennis opdoen

65.2.1 Kennismaken met sociale kennis door actief ervaringen op te doen (bijvoorbeeld kennismaken met vervoersmiddelen)

65.2.2 Weten wat hoort, niet hoort gevaarlijk is ( bijvoorbeeld al je met de fiets of de bus meerijdt) en er naar handelen

65.2.3 Enkele concrete kenniselementen kunnen toepassen (bijvoorbeeld gepast reageren op enkele belangrijke verkeerstekens)

Top

66. inzichten verwerven over de ruimte

66.1.1 Experimenteren met de ruimte en de ruimte beleven met het eigen lichaam

66.1.2 Zich oriënteren in de ruimte

66.1.3 Ruimtelijke relaties ontdekken in concrete of driedimensionale situaties

66.1.4 In schematische of tweedimensionale situaties

66.2.1 Omsluiting verkennen (in, uit, open, toe, binnen, buiten,…)

66.2.2 Volgorde verkennen en imiteren (ervoor, erachter, erboven, eronder,…)

66.3.1 Eigen positie en bewegingsrichting verkennen

66.3.2 Positie en bewegingsrichting van voorwerpen tegenover elkaar verkennen

66.3.3 Positie en bewegingsrichting in een vlak verkennen

66.3.4 Zich oriënteren vanuit een voorstelling van de ruimte (een maquette, een foto, een plattegrond,…)

66.4.1 Zelfstandig de weg vinden door zich werkelijk te verplaatsen in een vertrouwde ruimte

66.4.2 Door zich mentaal te verplaatsen

66.4.3 Een weg volgen op een maquette of op een plattegrond

66.5.1 Kennismaken met een ruimte

66.5.2 De leidster volgen door een ruimte

66.5.3 Pijlen volgen door een ruimte

66.6.1 Verschillende gezichtspunten leren kennen (bijvoorbeeld voorkant, achterkant, zijkant,…)

66.6.2 Weten dat dingen er vanuit een ander gezichtspunt anders uitzien

66.7.1 Vorm en uitzicht van de dingen ervaren

66.7.2 Geometrische vormen verkennen

66.8.1 Eenvoudige puzzels maken (weinig stuks, stevig materiaal, eenvoudige tekening, rechte randen, grote stukken,…)

66.8.2 Moeilijkere puzzels

66.9.1 -> Ervaren dat het spiegelbeeld anders is dan de werkelijkheid

66.9.2 Ervaren dat het spiegelbeeld ‘omgekeerd’ is

66.9.3 Symmetrie verkennen

Top

67. inzichten verwerven over de tijd

67.1.1 -> Tijdsduur subjectief ervaren (bijvoorbeeld iets duurt kort omdat het als bijzonder leuk ervaren wordt)

67.1.2 Verschil in tijdsduur ervaren

67.1.3 Tijdsduur vergelijken (langer, korter, het langst,…)

67.1.4 Tijdsduur meten ( met een zandloper, een wekker,…)

67.2.1 Opeenvolging ervaren in het dagverloop (nu, straks, binnenkort,..)

67.2.2 Meer gedetailleerd opeenvolging in de tijd ervaren en verwoorden (ervoor, erna, daarna, ondertussen, om de beurt,…)

67.2.3 Vooruitblikken op wat komt, terugblikken op wat voorbij is

67.2.4 Een proces begrijpen en voorstellen ( een groeiproces, een kookproces, een bouwproces,…)

67.3.1 De regelmaat van de structuur van een klasdag ondervinden (nu, straks, binnenkort,…)

67.3.2 Eenvoudige tijdsbegrippen in concrete situaties (bijvoorbeeld dag, nacht, vandaag, gisteren, nu, straks, morgen,…)

67.3.3 Eenvoudige tijdsbegrippen correct gebruiken

67.3.4 Ervaringen opdoen met de begrippen die de tijdstippen van een dag benoemen ( ochtend, voormiddag, namiddag, middag, avond,…)

67.3.5 Ervaringen opdoen met ruimere tijdsbegrippen (bijvoorbeeld volgende week, woensdag, morgen, overmorgen, vorige vakantie, in de herfst, eerst, gisteren, eergisteren, nog drie keer slapen, weekend,…)

67.4.1 een voorstelling herkennen van een regelmatig terugkerende gebeurtenis uit een klasdag (bijvoorbeeld een beker voor het eetmoment)

67.4.2 Een eenvoudig dagoverzicht kunnen volgen

67.4.3 Een weekoverzicht kunnen volgen

67.4.4 De dagen van de week verkennen en hanteren

67.4.5 Seizoenen verkennen en ervaringen opdoen met gebruik van de klok

Top

68. inzichten verwerven over getallen

68.1.1 Experimenteren met hoeveelheden

68.1.2 Hoeveelheden op het zicht vergelijken en met woorden benoemen (veel, weinig,…)

68.1.3 Hoeveelheden ordenen door gebruik te maken van de één-één-verbinding (evenveel, meer, minder,…)

68.1.4 Ervaren dat  hoeveelheden gelijk blijven ook al worden ze anders geordend

68.1.5 Vaststellen ‘hoeveel meer’ of ‘hoeveel minder’ er zijn

68.2.1 -> spontaan de naam van enkele getallen kenen

68.2.2 Voorwerpen tellen tot 5 (à6) en daarna zeggen hoeveel voorwerpen er geteld zijn

68.2.3 Tellen tot 10 en meer, een klein aantal voorwerpen (tot 5) herkennen zonder te tellen, enkele cijfers herkennen en ze koppelen aan het aantal

68.3.1 -> Met woorden een rangorde aanduiden als begin en richting zijn afgesproken

68.3.2 Met rangtelwoorden een rangorde kunnen aanduiden (bijvoorbeeld tot ‘vijfde’)

68.4.1 Met hulp van de leidster iets kunnen verdelen onder enkele kinderen

68.4.2 een één-één-verbinding leggen tussen voorwerpen tot 5

68.4.3 tot 10

68.5.1 -> In eenvoudige wisselende situaties rekenhandelingen (aantal, hoeveelheid en rangorde) uitvoeren en verwoorden door de juiste begrippen te gebruiken, bijvoorbeeld bij meten

Top

69. inzichten verwerven over meten

69.1.1 Grootte op het zicht vergelijken

69.1.2 Lengte, dikte, afstand, hoogte, inhoud,… op het zicht vergelijken

69.1.3 Vergelijken met een tussenmaat (een touw, een sjaal, de handen,…)

69.2.1 -> Dingen vergelijken zonder een maateenheid te gebruiken, de dingen meten met natuurlijke maateenheden en zelfgemaakte meetinstrumenten

69.2.2 Meetresultaten noteren met pictogrammen en ervaren dat mensen meetresultaten uitdrukken in standaardmaten en kennismaken met instrumenten om iets te meten (weegschaal, klokken, zandlopers,…)

 

Top
Taalontwikkeling

70. auditieve boodschappen interpreteren en er gepast op reageren

70.1.1 Boodschappen begrijpen die in concrete situaties voor de kleuter zelf bedoeld zijn

70.1.2 Boodschappen begrijpen die gericht zijn naar een groep kleuters

70.1.3 Complexere boodschappen begrijpen ook als die losstaan van de context

70.2.1 Eenvoudige verhalen (niet te lang, weinig personages, over dagelijkse situaties,…) begrijpen, als die visueel ondersteund worden

70.2.2 Enigszins complexere verhalen begrijpen die een beroep doen op de fantasie, als die verhalen visueel ondersteund worden

70.2.3 Verhalen begrijpen zonder (veel) visuele ondersteuning

70.3.1 Genieten van herhaald hervertellen van hetzelfde verhaal

70.3.2 Genieten van het vertellen van nieuwe, onbekende verhalen

70.3.3 Genieten van de verschillende vormgeving waarin verhalen gebracht worden (bijvoorbeeld prentenboeken, voorleesboeken, rijmverhalen, theateropvoering, sprookjes,…)

Top

71. ervaringen verwoorden

71.1.1 -> Antwoorden op vragen naar beleefde ervaringen en gevoelens

71.1.2 Spontaan ervaringen en gevoelens onder woorden brengen

71.2.1 -> Voluit praten over eigen ervaringen

71.2.2 Reageren op andere kleuters die over hun eigen ervaringen praten door aansluitend eigen ervaringen te vertellen

71.2.3 Reageren op andere kleuters door daarbij informatie naar voren te brengen die aansluit bij wat die kleuters aanbrengen

71.3.1 Woorden en eenvoudige zinnen gebruiken die dicht bij de eigen leefwereld liggen

71.3.2 Eenvoudige zinnen gebruiken die grotendeels correct zijn opgebouwd

71.3.3 Moeilijker woorden uit een ruimere context gebruiken

Top

72. ervaringen uitwisselen ( communiceren)

72.1.1 Vragen van de leidster beamen of ontkennen

72.1.2 Zelf eenvoudige vragen stellen

72.1.3 Vragen duidelijk verwoorden

72.2.1 Vooral met lichaamstaal reageren op een vraag van de leidster

72.2.2 In volzinnen een antwoord geven op gerichte vragen naar betekenis, inhoud, bedoeling,…

72.3.1 In een groepsgesprek zijn beurt kunnen afwachten

72.3.2 In groepsgesprekken naar andere kleuters luisteren en genieten van spreken met elkaar

72.4.1 Praten over meegemaakte situaties, verhalen of concrete materialen

72.4.2 filosoferen over vragen en onderwerpen

Top

73. luisteren en spreken verfijnen

73.1.1 bij versjes en liedjes stilletjes en verlegen meedoen met de leidster of met andere kleuters

73.1.2 Actief meedoen met liedjes en versjes

73.1.3 durven spreken

73.2.1 Woorden zo uitspreken dat anderen je verstaan

73.2.2 De meeste Nederlandse klanken uitspreken (behalve als ze voorkomen in moeilijke combinaties)

73.3.1 Kennismaken met AN

73.3.2 AN gebruiken in concrete situaties en met ondersteuning

73.3.3 AN gebruiken wanneer het in een situatie past

73.4.1 Kennismaken met de schooltaal

73.4.2 Met ondersteuning van de leidster pogingen doen om de schooltaal te gebruiken wanneer de situatie dat vereist

73.4.3 De belangrijkste woorden uit de schooltaal begrijpen en gebruiken

73.5.1 Klanken uit onze taal nabootsen

73.5.2 Identieke klanken bij eindrijmen herkennen

73.5.3 Eindrijmwoorden verzinnen

73.6.1 Luisteren naar allerlei soorten klanken

73.6.2 Spelenderwijze klanken en lettergrepen auditief kunnen onderscheiden

Top

74. visuele boodschappen (pictogrammen) interpreteren en er gepast op reageren

74.1.1 Eenvoudige, grote pictogrammen herkennen die in een vertrouwde omgeving gebruikt worden (bijvoorbeeld het eigen kenteken)

74.1.2 complexere en kleinere pictogrammen begrijpen

74.2.1 Pictogrammen begrijpen die verwijzen naar één gegeven betekenis (bijvoorbeeld het aantal kleuters dat tegelijk in een hoek mag spelen)

74.2.2 Pictogrammen begrijpen die verwijzen naar een reeks opeenvolgende betekenissen (bijvoorbeeld een opdrachtkaart of een stappenplan)

Top

75. boodschappen omzetten in pictogrammen

75.1.1 Kennismaken met eenvoudige pictogrammen

75.1.2 uit een reeks pictogrammen die uitkiezen die in een situatie van toepassing is

75.1.3 In een situatie zelf een pictogram bedenken, creatief vormgeven en gebruiken

75.2.1 Boodschappen conceptualiseren voor zichzelf

75.2.2 Boodschappen schriftelijk vormgeven om te communiceren met anderen

Top

76. kennismaken met geschreven taal

76.1.1 Ervaren dat mensen aandacht besteden aan schriftelijke boodschappen

76.1.2 Ervaren dat mensen met getekende boodschappen kunnen communiceren

76.1.3 Zelf willen lezen en schrijven en ervaren dat lettertekens inhoudelijk naar dezelfde boodschap verwijzen als de afbeelding waar ze bijhoren

76.2.1 Ervaren dat lezen en schrijven gebeurt van links naar rechts en van boven naar onder

76.2.2 Rekening houden met de lees- en schrijfrichting bij het kijken in boeken of naar prentenreeksen en bij eigen ‘lees- en schrijfwerk’

76.3.1 -> enkele letters herkennen (bijvoorbeeld van de eigen naam)

76.3.2 Ervaren dat ons schrift bestaat uit letters, die woorden, zinnen, en teksten vormen

76.3.3 Letters opzoeken, tekenen, overtrekken, schrijven

76.4.1 Letters herkennen in een gekende schriftvorm (meestal blok- of drukletters)

76.4.2 Een verband leggen tussen blok- of drukletters en de schooleigen schriftvormen ( lees- en schrijfletters)

76.5.1 Ervan genieten als er uit een  boek verteld wordt

76.5.2 In boeken kijken en anderen nabootsen die lezen

76.5.3 Zelf verhalen ‘opschrijven’ via tekeningen

76.6.1 -> Spelen met letters

76.6.2 Letters namaken

76.6.3 Onzinwoorden maken met letters en willen weten wat je gemaakt hebt

76.6.4 Woorden namaken

76.6.5 Woorden die je eerst zegt ook op papier willen opschrijven of naschrijven

76.6.6 lagere school: woorden maken en lezen

Top

77. nadenken en spreken over eigen taalgebruik en dat van anderen

77.1.1 Genieten van de eigen sfeer van de verschillende taalvormen

77.1.2 Nieuwe woorden en uitdrukkingen bedenken

77.1.3 Genieten van woordgrappen

77.2.1 -> Ervaren dat taalgebruik aangepast wordt aan de situatie

77.2.2 Reflecteren over de manier waarop iets gezegd wordt of verteld wordt

77.3.1 -> Ervaren dat woorden bij elkaar kunnen horen op basis van hun inhoud

77.3.2 Op basis van hun klank- en vormeigenschappen

77.4.1 het verschil ervaren tussen een opdracht, een vraag, een mededeling

77.4.2 gepast reageren op …

77.5.1 Kennismaken met boeken en poëzie voor (en van) kinderen

77.5.2 Plezier hebben in ‘lezen’ en verlangend uitkijken naar vertelmomenten

Ontwikkeling van de zelfsturing

Top

78. zichzelf behelpen (zelfredzaamheid)

78.1.1 Non-verbaal hulp vragen bij elementaire verzorgingstaken

78.1.2 Verbaal hulp vragen bij elementaire verzorgingstaken

78.1.3 Zorg dragen voor zichzelf

78.1.4 Anderen helpen bij elementaire verzorgingstaken

78.2.1 Blij zijn als je de laatste stap van een reeks handelingen zelfstandig kan uitvoeren (bijvoorbeeld de rits optrekken als ze is dichtgeritst en half opgetrokken door de leidster)

78.2.2 Met hulp een reeks handelingen in de juiste volgorde kunnen uitvoeren

78.2.3 Zonder hulp kunnen uitvoeren

Top

79. keuzes maken (kiezen)

79.1.1 Sommige activiteiten leuk vinden en anderen niet

79.1.2 Een voorkeur hebben voor bepaalde activiteiten en handelingen

79.1.3 Zich bewust worden van eigen voorkeuren

79.1.4 Zelf voorstellen doen voor activiteiten of gedragingen

79.2.1 Aarzelend een keuze kunnen maken (bijvoorbeeld vlinderen of altijd hetzelfde kiezen)

79.2.2 Met hulp van de leidster een keuze maken binnen een beperkt en overzichtelijk aanbod

79.2.3 Zonder hulp binnen een groter aanbod een keuze maken

79.2.4 Binnen een klasoverschrijdend aanbod een keuze kunnen maken

79.3.1 Een keuze maken tussen bekende mogelijkheden

79.3.2 Bereid zijn om te kiezen wat minder bekend is

79.4.1 Ervaren dat niet voor alles tegelijk kan worden gekozen

79.4.2 Bereid zijn om bij het kiezen rekening te houden met beperkende regels of afspraken en om waar nodig de eigen voorkeur uit te stellen of opzij te zetten

Top

80. plannen maken

80.1.1 tijdens een klasritueel een volgende stap voorspellen

80.1.2 tijdens een klasdag of een activiteit enkele volgende stappen voorspellen

80.1.3 Voor een activiteit de mogelijke stappen bedenken

80.2.1 -> Tijdens een spelactiviteit enkele mogelijke handelingen bedenken

80.2.2 Voorafgaand aan een activiteit enkele mogelijke handelingen bedenken

80.2.3 Een reeks activiteiten plannen en uitvoeren met behulp van de leidster met visuele ondersteuning

80.2.4 Na een onderbreking een plan verder kunnen zetten

80.3.1 -> Een eenvoudig stappenplan volgen aan de hand van pictogrammen

80.3.2 De stappen van een stappenplan zelf tekenen en in de juiste volgorde leggen

Top

81. iets te weten komen

81.1.1 Boeken gebruiken om naar te kijken en erover te praten

81.1.2 Boeken gebruiken om bekende verhalen via de prenten te volgen

81.1.3 Ervan genieten om in boeken via de prenten informatie op te doen

Top

82. een taak begrijpen, aanvatten, volhouden en afwerken

82.1.1 Exploreren en experimenteren

82.1.2 Een eenvoudige opdracht begrijpen en uitvoeren met ondersteuning van voordoen, meedoen, aanwijzingen of pictogrammen

82.1.3 Een opdracht begrijpen en correct uitvoeren zonder veel hulp

82.2.1 -> met wat hulp en aanmoediging een inspanning volhouden

82.2.2 tot afwerking komen van een zelfgekozen opdracht of activiteit

82.2.3 Een opdracht op taak afwerken

Top

83. problemen oplossingsgericht aanpakken

83.1.1 -> Eén oplossing zoeken en uitvoeren

83.1.2 Creatief oplossingswijzen bedenken

83.2.1 Bij de confrontatie met een probleem: iets doen wat een vorige keer lukte, een oplossingsweg van een andere kleuter nadoen, willekeurig uitproberen, handelend zoeken naar oplossingswegen

83.2.2 Een voorgetoonde oplossingsweg uitproberen (met hulp -> zonder hulp)

83.2.3 Aandacht hebben voor mogelijke aangereikte oplossingsstrategieën

83.2.4 Zich richten op de oplossing van een probleem en daar naartoe werken met en zonder hulp

83.3.1 Min of meer toevallig succes en mislukkingen ervaren

83.3.2 Ervaren dat een succesvol oplossingsgedrag niet in alle situaties werkt

83.3.3 Aanvaarden dat een ingeslagen oplossingsweg soms moet verlaten worden

83.3.4 Met de hulp van de leidster op zoek gaan naar de reden van lukken en mislukken

Top

84. kritisch reflecteren

84.1.1 een bekende activiteit herkennen als die aangekondigd wordt

84.1.2 Zich een idee kunnen vormen van een minder bekende activiteit

84.1.3 Verwoorden welke de mogelijkheden zijn van alle voorgestelde activiteiten en waaraan gedacht moet worden alvorens aan de slag kan gegaan worden

84.2.1 tijdens een activiteit vertellen wat je doet

84.2.2 In een tergblik de stappen verwoorden die je tijdens een activiteit hebt gezet

84.2.3 in een planningsgesprek de stappen verwoorden die je zal zetten

84.3.1 Tijdens een activiteit laten zien wat je prettig en minder prettig vindt en wat er goed of fout loopt

84.3.2 Na afloop van een activiteit verwoorden waarom iets prettig of minder prettig was of waarom iets fout liep

84.3.3 Op voorhand voorspelen wat leuk of niet leuk is aan een activiteit en wat er fout kan lopen of makkelijk fout zal gaan

84.4.1 Een volgende handeling binnen een vertrouwd ritueel kunnen voorspellen

84.4.2 Praten over eigen verwachtingen, wensen en ideeën

84.4.3 vooruitblikken op wat er in de toekomst kan gebeuren

Top

85. aandachtig en geconcentreerd bezig zijn

85.1.1 Een korte tijd bezig zijn met een activiteit

85.1.2 Langere tijd bezig zijn met een activiteit

85.1.3 Een activiteit een volgende dag opnieuw verder willen zetten op vraag van de leidster

85.1.4 Een activiteit de volgende dag spontaan verder willen zetten

85.2.1 Snel afgeleid worden door omgevingsfactoren

85.2.2 Zo intens bezig zijn met een zelfgekozen activiteit dat je de tijd vergeet

85.2.3 Ook tijdvergeten bezig zijn met een gekregen opdracht

Top